110 alternatieven voor lopen en praten

[mc4wp_form id="77"]

Hij loopt, hij zegt: hoeveel keer gebruik je dat in een tekst? Laat er je woordenteller maar eens op los!  Lopen en praten zijn heel algemene aanduidingen. Gebruik je ze vaak dan maken ze een tekst vlak, of erger nog: saai. En er ligt een hele wereld achter! Je doet een lezer tekort als je niet naar alternatieven zoekt.  Vergelijk deze drie zinnen maar:

  • Lucas loopt de kamer in.
  • Lucas stormt de kamer binnen.
  • Lucas schuifelt door de kamer.

Bij de tweede zin vraag je je meteen af waarom Lucas zo’n haast heeft. Heeft hij iets dringends te vertellen? Is hij boos? Of heel erg blij? En bij de derde zin weet je dat het lopen moeizaam gaat.  Is Lucas een oudere man? Is de vloer glad? Is er sprake van een blessure?
Het is fijn om een verzameling alternatieven voor het woord ‘lopen’ achter de hand te hebben. Dat kunnen werkwoorden zijn maar ook staande uitdrukkingen. Deze bijvoorbeeld:

  • Lopen (snel)

Snelwandelen, grote passen maken, met rasse schreden naderbij komen, marcheren, doorstappen, doorbenen, aanpoten, draven, rennen, stuiven, hollen, stormen, vliegen, zo snel als zijn benen hem kunnen dragen, ergens  op af stevenen, huppelen, (toe)snellen, op de loop gaan, het op een lopen zetten, zijn biezen pakken, de hielen lichten, aan de haal gaan, er de sokken in zetten, het hazenpad kiezen, (ont)vluchten, op een drafje.

  • Lopen (langzaam)

Slenteren, sukkelen, schrijden, kuieren, sjokken, sleepvoeten, kruipen, schuifelen, voetje voor voetje verder gaan, dribbelen, op zijn dooie gemak, op zijn akkertje, drentelen, scharrelen, met lood in de schoenen, schoorvoetend, met een sukkelgangetje, traag als een slak, treuzelend, met een slakkengangetje, op zijn elfendertigst, langzaam maar zeker.

Iets zeggen

Wat voor lopen geldt, geldt ook voor andere veel gebruikte werkwoorden. Spreken bijvoorbeeld. Met de manier waarop iemand iets zegt kan je de gemoedstoestand van een personage laten zien,  een bepaalde sfeer scheppen, spanning oproepen of juist laten afvloeien en je kunt er zelfs een bepaalde leeftijd mee aangeven. Als iemand jengelt weet je meteen dat het om een kind gaat. Andere opties voor zeggen zijn goed in een aantal categorieën te vangen:

  • Spreken

Het stilzwijgen verbreken, zich iets laten ontvallen, tussen neus en lippen door opmerken, beklemtonen, iets recht in iemands gezicht zeggen, iets ronduit zeggen, eerlijk zeggen, voorzeggen, nazeggen, napraten, voortborduren op…, meepraten, uitspreken, de tongen komen los, aanspreken, de woorden uit iemands mond halen.

  • Veel en snel praten

Het hart op de tong hebben, kakelen, ratelen, woorden niet wegen, veel spraakwater hebben, een spraakwaterval, bijpraten, kletsmeieren, klessebessen, zwammen, zwetsen, praatjes verkopen, babbels hebben, redeneren, rad van tong zijn, rap van tong, goed van de tongriem gesneden, wauwelen, praatziek zijn, goed gebekt, niet op zijn mondje gevallen, kwebbelen.

  • Hard spreken

Roepen, naroepen, schreeuwen, gillen, razen, tieren, galmen, gieren, bulderen, brullen, een groet bek opzetten.

  • Onduidelijk spreken

Brabbelen, moeilijk uit zijn woorden komen, bazelen, hakkelen, stotteren, plat spreken, krom spreken, slissen, brouwen, stamelen, koeterwaals praten, keukenlatijn / potjeslatijn praten.

Met goedgekozen woorden kun je laten zien wat er gaande is!

Schrijven in Delft deelt graag tips en informatie over schrijven. 

Marja van Rossum is docent creatief schrijven en schrijfcoach bij Schrijven in Delft.
Voor een frisse blik op je tekst kun je bij haar een afspraak maken voor een schrijfconsult.

(foto: margrietwestervaarder.com)

[mc4wp_form id="77"]